slide image
Slide background

Bestuursrecht Kerckhoffs advocaten

Bestuursrecht

Kerckhoffs Advocaten is een gerenommeerd kantoor met vestigingen in Maastricht en Heerlen, dat al drie generaties bestaat. Veel is er sinds de oprichting in 1950 veranderd.
Op één ding na: de menselijke maat. Die is nog altijd het allerbelangrijkste voor al onze advocaten. Onze advocaten zijn gespecialiseerd in diverse vakgebieden.

Maar wat is die menselijke maat? Wat betekent dat concreet voor u? In het kort komt het hier op neer: onze advocaten verdiepen zich in uw onderneming om altijd een oplossing te vinden voor uw juridische vraag. Persoonlijke aandacht op een moment dat u het beste schikt, is voor ons vanzelfsprekend. We doen er alles aan om lange en kostbare procedures te voorkomen, en in de rechtszaal behartigen we uw belangen op een zo vakkundige manier mogelijk.

Kerckhoffs Advocaten is met name actief in de Euregio met vestigingen in Maastricht en Heerlen. Onze kennis van het ondernemersklimaat in het zuiden van Nederland en daarbuiten zetten we in om onze klanten te adviseren. Dat concept noemen we ook wel local for local.

Naast juridische dienstverlening voor ondernemers zijn we er natuurlijk ook voor particulieren met juridische vraagstukken.


gepubliceerd: 7 november 2018

Raad van State straft verstoppertje spelen af

Tenzij in de wet een bijzondere procedure is voorgeschreven is de regel dat een omgevingsvergunning geacht wordt te zijn verleend als niet op tijd op de vergunningsaanvraag wordt beslist. Dit heet de Lex Silencio Positivo: zoiets als een stilzwijgend bestuursorgaan stemt toe. Deze regeling leidde tot de indiening van een groot aantal verhulde (vage) aanvragen, waarbij de aanvrager er op hoopte dat het bestuur niet goed zou opletten en de aanvrager dus de vergunning in de schoot geworpen kreeg. Vooral gewenste gebruikswijzigingen van panden (bv een garage die omgetoverd moet worden in een winkel) werden in een “aanvraag” verstopt.

De afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft met deze dubieuze praktijk korte metten gemaakt (*). Het gaat erom dat schriftelijk eenduidig en ondubbelzinnig kenbaar is gemaakt dat beoogd is een aanvraag om een omgevingsvergunning te doen. Indien de omschrijving van het initiatief summier en globaal is dan is daarvan volgens de Afdeling in ieder geval geen sprake. Om van een aanvraag te kunnen spreken moet dus tenminste ondubbelzinnig worden aangegeven dat een omgevingsvergunning wordt aangevraagd voor een activiteit die exact wordt omschreven en/of met gedetailleerde tekeningen wordt gepreciseerd.

 

(*) ABRvS: 31-10-2018, ECLI NL:RVS:2018:3541

 


gepubliceerd: 15 mei 2018

Toezeggingen door ambtenaren: (n)iets waard?

De Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft enige tijd geleden een interessante uitspraak gedaan (*) over toezeggingen gedaan door ambtenaren en of daarop gerechtvaardigd vertrouwd mag worden.

Tot voor kort was het vaste rechtspraak dat in het algemeen geen rechten kunnen worden ontleend aan toezeggingen die zijn gedaan door ambtenaren als de beslissingsbevoegdheid berust bij het college van burgemeester en wethouders, gemeenteraad of een andere wel gemandateerde ambtenaar. Dat ligt nu een tikkeltje anders.

Volgens de rechter kan er ook sprake zijn van concrete ondubbelzinnige toezeggingen van het bevoegde bestuursorgaan indien zij zijn gedaan door een ambtenaar waarvan de betrokkene op goede gronden mocht veronderstellen dat deze de opvatting van het bevoegde orgaan vertolkte. Factoren die in dat verband een rol spelen zijn of het gesprek plaatsvond op initiatief van het college, of er een voorbehoud is gemaakt en of de toezegging door meerdere ambtenaren is gedaan.

(*) ABRvS 19 juli 2017: ECLI:NL:RVS: 2017:1946

 

Mr. Philippe Hardy                                                
p.hardy@kerckhoffsadvocaten.nl
T +31 (0)43 321 59 29

 


gepubliceerd: 28 april 2018

Europa bemoeit zich met detailhandelsbeleid

Teneinde ervoor te zorgen dat het juiste bedrijf zich op de juiste locatie vestigt wordt in Nederland sinds jaar en dag een beleid gevoerd dat erop gericht is onderscheid te maken tussen verschillende winkelvormen.  Uitzonderingen daargelaten is het bijvoorbeeld  niet de bedoeling dat modewinkels zich in de periferie vestigen of een autohandel in het centrum. Dit kan worden bereikt door brancheringsregels te stellen. De Raad van State heeft het Europese Hof van Justitie gevraagd of deze regels zich wel verdragen met het Europese recht, meer in het bijzonder met de Europese Dienstenrichtlijn. De Advocaat Generaal van dat Hof heeft inmiddels een advies uitgebracht. Hij stelt dat de Europese Dienstenrichtlijn inderdaad van toepassing is omdat detailhandel ook een dienst is.

Er kunnen op basis van die richtlijn beperkingen gelden voor brancheringsregels.  Er moet worden voldaan aan een aantal voorwaarden, namelijk dat de brancheringseisen geen onderscheid maken tussen landen waar de winkels vandaan komen, het algemeen belang het gemaakte onderscheid tussen de winkelformules dwingend moet eisen en de maatregel moet evenredig zijn aan het nagestreefde doel. Van groot belang is dat de Advocaat Generaal een ontsnappingsroute openlaat. Hij stelt namelijk dat de bescherming van het stedelijk milieu een dwingende reden van algemeen belang is. En aan die kapstok kunnen vele brancheringsbepalingen wel worden opgehangen


Mr. Philippe Hardy                                                
p.hardy@kerckhoffsadvocaten.nl                                                  
T +31 (0)43 321 59 29

 


gepubliceerd: 28 maart 2018

Contractuele uitsluiting van bezwaar of beroep?
Opgepast!

Bij verkooptransacties van onroerend goed bedingt de verkoper dikwijls dat de koper en diens rechtsopvolger(s) geen bezwaar of beroep mogen instellen tegen (toekomstige) ruimtelijke of milieuhygiënische ontwikkelingen die in het belang van verkoper (kunnen) zijn (bijvoorbeeld omdat de verkoper naast het verkochte een bedrijf blijft exploiteren of andere eigendom blijft houden dat hij onbelemmerd wil gebruiken). Vaak wordt daaraan in de overeenkomst een boetebepaling gekoppeld. Mag dat juridisch gezien? De rechtbank Limburg heeft recent daarover een interessante uitspraak gedaan (*).

De rechtbank stelt  vast dat hier sprake is van botsende grondrechten, te weten het recht op toegang tot de rechter versus het recht om vrijelijk te contracteren. Volgens de rechter zijn drie criteria van belang om de overeenkomst al dan niet rechtsgeldig te achten:

  • Worden slechts de contractspartijen gebonden of (middels
    een kettingbeding) ook (rechtsopvolgende) derden;
  • Staat er op overtreding van het beding een boete: Wordt er (middels een boeteclausule) een dwang opgelegd.
  • Wordt het doen van afstand van rechtsbeschermingsmogelijkheden voldoende afgebakend tot concrete situaties of wordt er in algemene zin afstand van rechtsbescherming gedaan.

Op een zwart-witte schaal betekent dit clausules die ook aan derden worden opgelegd waarin een algemene afstand van rechtsbescherming wordt bedongen onder dreiging van een boete niet zijn toegestaan, en clausules die slechts gelden tussen de contractsluitende partijen, waarin voor concrete situaties een afstand van recht wordt bedongen en er geen boete wordt opgelegd wel zijn toegestaan. Echter de situaties daartussen zijn juridisch grijs gebied.

(*) Rechtbank Limburg 28-02-2018 (ECLI:NL:RBLIM:2018:1810)


Mr. Philippe Hardy
p.hardy@kerckhoffsadvocaten.nl
T +31 (0)43 321 59 29


gepubliceerd 6 maart 2018

Ruimte voor de winkel of niet?

Bij de verdeling van de schaarse ruimte neemt de vraag op welke plek welke winkel kan en mag worden gerealiseerd in juridisch opzicht een voorname plaats in. Bouwen voor leegstand is doorgaans niet de bedoeling, net zo min als een winkel in de wei of een detailhandel in gevaarlijke goederen in een woonwijk. Punt is dat het bestuursrecht een kluwen van regels bevat die van toepassing zijn op deze materie. Regels die bovendien aan verandering onderhevig zijn. Ik zal in dit artikel de huidige stand van zaken in grote lijnen op een rij zetten.

Goede ruimtelijke ordening

De centrale norm ten aanzien van de ruimtelijke ordening is dat in het bestemmingsplan ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening de bestemmingen, bijvoorbeeld detailhandel, worden aangewezen en met het oog op die bestemmingen voorschriften worden gegeven. Die centrale norm, de goede ruimtelijke ordening, staat in artikel 3.1 van de Wet ruimtelijke ordening.

De goede ruimtelijke ordening is een zeer open en vage norm. Wat is qua ruimtelijke ordening goed en wat niet? En hoe pakt dat uit voor de bestemming detailhandel?  Zo’n open norm leidt uiteraard tot een bonte rechtspraak.  Daarin zijn een aantal specifieke thema’s ten aanzien van detailhandel te onderscheiden, welke ik hierna zal noemen. Meer algemene deugdelijke ruimtelijke motieven zoals het weren van bebouwing in natuurgebied of het weren van gevaarlijke bedrijfsactiviteiten in woongebied laat ik verder buiten beschouwing.

Vooreerst is van belang dat het reguleren van concurrentieverhoudingen geen ruimtelijk belang is. In een bestemmingsplan mag bijvoorbeeld niet een supermarkt worden verboden met het argument dat dit de marktpositie van een al bestaande supermarkt zou kunnen aantasten. Andersom mag het bestuur niet een bepaalde branche toestaan met het argument dat de bestaande winkel in die branche zijn waren nogal duur prijst en dus wel wat concurrentie zou kunnen gebruiken.

In dezelfde lijn ligt dat een concurrent die bezwaar maakt tegen nieuwe winkelruimte vanwege negatieve omzeteffecten voor zijn eigen winkel bij de bestuursrechter bot zal vangen.

Het niet treden in concurrentieverhoudingen kan echter  tot zodanige markteffecten leiden dat de consument daar de dupe van zou worden. Indien als gevolg van het toestaan van nieuwe (vaak zeer grootschalige winkels) een dusdanige kaalslag in de regio zou optreden dat de consument in de nabijheid geen soortgelijke winkel meer tot zijn beschikking had, dan mag, ja zelfs moest die toevoeging van detailhandelsaanbod worden verboden. Hier speelde niet het concurrentiebelang maar het belang van de consument bij een voldoende gedifferentieerd winkelaanbod. In juridische termen heet het dat het bieden van (planologische) ruimte geen duurzame ontwrichting van de voorzieningenstructuur tot gevolg mag hebben. Het betoog dat een nieuwe winkel zou leiden tot een duurzame ontwrichting van de voorzieningenstructuur werd uiteraard een favoriet betoog van advocaten die namens hun cliënten hun pijlen richtten tegen het bestemmen van gronden voor nieuwe detailhandel.

De Afdeling Bestuursrechtspraak (‘de Afdeling’) heeft daar in een aantal uitspraken paal en perk aan gesteld, dusdanig dat het beroep op duurzame ontwrichting van de voorzieningenstructuur een stille dood is gestorven. Ten eerste vond de Afdeling het geen probleem als door het verdwijnen van winkelaanbod consumenten enkele kilometers moesten reizen naar een overblijvende c.q. nieuwe winkel. Dat was niet onaanvaardbaar (ABRvS 10 juni 2009: De Marne).  Voorts oordeelde de Afdeling dat alleen voor winkels in dagelijkse boodschappen een duurzame voorzieningenstructuur gewaarborgd moest zijn (ABRvS 18 september 2013: Intertoys). Die laatste uitspraak was jammer voor een aantal bouwmarkten die zich hadden gekeerd tegen de komst van een megabouwmarkt naar Geleen. De gemeente Sittard-Geleen had een beleidsregel die spreiding van bouwmarkten beoogde opdat inwoners niet helemaal naar de andere kant van de stad hoefden om een bouwmarkt te bezoeken. Door een nieuwe megabouwmarkt zou een aantal bouwmarkten zijn deuren moeten sluiten waardoor de spreiding gevaar zou lopen. Toch vond de Afdeling dat geen probleem. Ontwrichting van de voorzieningenstructuur geldt immers niet voor de bouwmarktsector (ABRvS 11 december 2013: Hornbach Sittard-Geleen).

Ook nieuwe wetgeving beperkt een beroep op duurzame ontwrichting. In het bestuursrecht is recentelijk het relativiteitsvereiste ingevoerd. Dat wil zeggen dat een partij bij de rechter geen beroep kan doen op normen die kennelijk niet geschreven zijn in het belang van die partij. Het voorkomen van duurzame ontwrichting is zoals gezegd in het belang van de consument en niet in het belang van de concurrerende winkelier. Het argument van de winkelier dat toevoeging van een nieuwe winkel zal leiden tot duurzame ontwrichting van de voorzieningenstructuur moet daarom terzijde worden geschoven.

Dat de duurzame ontwrichting van de voorzieningenstructuur een loze norm is geworden stond er niet aan in de weg dat in de rechtspraak nieuwe regels werden ontwikkeld ter precisering van de wettelijke bepaling dat een (detailhandels)bestemming in het belang van een goede ruimtelijke ordening moet zijn. De Afdeling heeft in een uitspraak van 5 december 2012 (Noordoostpolder) overwogen dat indien een overcapaciteit aan winkelruimte kan leiden tot toename van leegstand dit tot negatieve gevolgen voor het ondernemersklimaat kan leiden. Deze uitspraak laat zien dat de Afdeling zich rekenschap geeft van de realiteit in de detailhandel, waar vooral ook in Limburg de leegstand vaak als gevolg van kortzichtig lokaal bestuur en het ontbreken van adequate provinciale regie schrikbarende vormen heeft aangenomen, dusdanig zelfs dat 18 gemeenten in Zuid-Limburg nu de handen ineen hebben geslagen en een structuurvisie hebben vastgesteld ter bestrijding van de winkelleegstand.

Tot de goede ruimtelijke ordening behoort naast het goede woon- en leefklimaat dus ook het goede ondernemingsklimaat. Nogmaals, hier wordt niet de concurrentiepositie mee bedoeld maar de ruimtelijke omgeving. Met name structurele leegstand speelt hier een rol. De reclamerende detaillist dient er wel op te letten dat niet zozeer een rol speelt of zijn eigen pand leeg komt te staan, maar dat aan de orde is structurele leegstand in zijn onmiddellijke omgeving. In het kader van het al dan niet structureel zijn van de leegstand let de rechter er vooral op of er mogelijkheden zijn voor alternatieve invulling van de leegkomende panden.

Besluit ruimtelijke ordening: brancheringsclausule en verstedelijkingsladder

Naast de wettelijk  vereiste goede ruimtelijke ordening valt ten aanzien van het al dan niet mogen toestaan van detailhandel op een bepaalde locatie te wijzen op regels die opgenomen zijn in een algemene maatregel van bestuur. Ik doel dan met name op het Besluit ruimtelijke ordening (ro), dat zowel in artikel 3.1.2 als in artikel 3.1.6 voor detailhandel relevante regels geeft.

In artikel 3.1.2 Bro staat dat een bestemmingsplan ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening regels kan bevatten met betrekking tot branches van detailhandel. Dus in een bestemmingsplan kan worden bepaald dat op een bepaalde locatie zich de ene winkelbranche wel mag vestigen en de andere niet. Dit weer in de sleutel van een goede ruimtelijke ordening. Dat wil zeggen dat er deugdelijke planologische motieven ten grondslag moet worden gelegd aan een keuze om ergens de ene branche niet toe te staan en de andere wel. Deze planologische motieven kunnen bijvoorbeeld zijn de ruimtebehoefte van een branche, de parkeerbehoefte, de verkeersaantrekkende werking, de bescherming van het functioneren van het centrum (bescherming van het stedelijk milieu)  en ook de bescherming van het ondernemingsklimaat en het voorkomen van leegstand.

De Afdeling  heeft in een uitspraak van 19 februari 2014 (De Brier, Venray) geoordeeld dat artikel 3.1.2 Bro niet zover gaat dat een specifiek assortiment mag worden voorgeschreven of mag worden verboden. Assortimentsbeperkingen binnen een toegestane branche zijn niet geoorloofd.

Artikel 3.1.6 Bro zegt dat als een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk wordt gemaakt moet worden toegelicht dat er behoefte bestaat aan die ontwikkeling. Als de nieuwe stedelijke ontwikkeling is voorzien buiten het bestaande stedelijk gebied dan moet worden gemotiveerd waarom die ontwikkeling niet binnen het bestaand stedelijk gebied kan worden gerealiseerd. In het juridisch jargon praat men dan over de ‘ladder voor duurzame verstedelijking’. Ook nieuwe detailhandel van enige omvang wordt tot een nieuwe stedelijke ontwikkeling gerekend. De behoefte aan die toevoeging moet dus gemotiveerd worden. Bedacht moet worden dat die behoefte niet kwantitatief hoeft te zijn, maar de behoefte kan ook in kwalitatieve zin bestaan. Cruciaal bij de bepaling of er al dan niet een behoefte bestaat is wederom de vraag of de nieuwe stedelijke ontwikkeling tot structurele leegstand zal leiden. Opvallend is derhalve dat optredende leegstand bij de toetsing aan diverse normen een prominente rol speelt. De verstedelijkingsladder beoogt stedelijke ontwikkelingen in het buitengebied tegen te gaan indien er nog plaats daarvoor is binnen het bestaande stedelijk gebied. Geen nieuwe winkels in het buitengebied derhalve, tenzij goed wordt gemotiveerd dat zulks niet anders kan.

Europese Dienstenrichtlijn

Tot zover is de ruimtelijke regelgeving ten aanzien van detailhandel te doorgronden. Echter recent is Europa zich met de Nederlandse detailhandelsregelgeving gaan bemoeien. Dit gebeurde naar aanleiding van vragen die de Afdeling stelde aan het Europese Hof in het kader van een juridische zaak die zich in Appingedam voordeed. Die gemeente had de vestiging van een kleding- en schoenenwinkel in een langer leegstaand pand  op een bedrijventerrein geweigerd met het argument dat kledingwinkels zich niet op een bedrijventerrein mochten  vestigen maar dat daarvoor uitsluitend  plaats was in het centrum van Appingedam. De vraag was of detailhandel een dienst was in de zin van de Europese Dienstenrichtlijn (2006/123) en of brancheringsregels zich verdroegen met het Europese recht zoals dat in die richtlijn is neergelegd.  Het Hof van Justitie van de EU heeft op 30 januari 2018 geoordeeld dat detailhandel inderdaad een dienst is in de zin van de Europese Dienstenrichtlijn. Er kunnen op basis van die richtlijn beperkingen gelden voor brancheringsregels. Er moet namelijk worden voldaan aan een aantal Europeesrechtelijke voorwaarden genoemd in artikel 15 lid 3 van de richtlijn. Ten eerste mogen de brancheringsregels geen onderscheid maken tussen landen waar de winkels vandaan komen. Ten tweede moet de branchering noodzakelijk zijn. Deze noodzakelijkheidstoets geeft aan dat uitsluitend redenen ten aanzien van milieu, volksgezondheid of openbare veiligheid redenen kunnen zijn om (territoriale) beperkingen op te leggen. Daarbij wordt onder milieu ook het stedelijk milieu of de ruimtelijke ordening begrepen. Aan de kapstok van de bescherming van dat milieu kunnen op zichzelf vele brancheringsbepalingen worden opgehangen. Denk aan de parkeerproblematiek, het goede ondernemingsklimaat of  verkeersoverlast. Maar er is nog een derde toets, namelijk de evenredigheidstoets: De (brancherings)regeling moet in verhouding staan tot het beoogde doel. Als bijvoorbeeld de parkeer- of verkeersoverlast op andere wijze kunnen worden opgelost door het nemen van minder ingrijpende maatregelen (geluidswal, extra parkeervoorziening) dan is een algeheel verbod voor een specifieke branche niet toegestaan.

De Europese Dienstenrichtlijn is in Nederland vertaald in de Dienstenwet. Echter omdat tot de uitspraak van het Europese Hof niet duidelijk was of detailhandel ook als een ‘dienst’ moest worden aangemerkt is die vertaling ten aanzien van detailhandel niet toereikend. EU-richtlijnen moeten worden omgezet in nationale wetgeving en zijn enkel ten aanzien van het resultaat verbindend voor elke lidstaat waarvoor zij bestemd is. Zij hebben geen rechtstreekse werking, zodat de burger zich daarop niet kan beroepen. Er zijn echter omstandigheden waarin richtlijnen wél rechtstreekse werking hebben, bijvoorbeeld als de omzetting niet geheel of niet correct heeft plaatsgevonden. En daarvan lijkt ten aanzien van de dienst detailhandel  sprake te zijn waardoor de evenredigheidstoets thans rechtstreekse werking lijkt te hebben. Differentiatie in detailhandelsbranches in ruimtelijke plannen, aldus dat de ene branche wordt toegelaten en de andere niet, vergt niet slechts een planologisch deugdelijke reden maar bovendien een evenredige reden. Hoe dat in de juridische praktijk zal uitpakken is op dit moment allesbehalve duidelijk.

Mr. Philippe Hardy                                    
p.hardy@kerckhoffsadvocaten.nl                                       
T +31 (0)43 321 59 29


gepubliceerd: 23 februari 2018

Digitaal procederen in het bestuursrecht

Op 12 juni 2017 heeft de digitalisering in de bestuursrechtelijke procedure zijn intrede gedaan, voor zover het betreft asielzaken-en bewaringszaken bij de rechtbanken.

Voor  hoger beroep bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State in deze zaken geldt die verplichting overigens nog niet. Ook in alle andere bestuursrechtzaken is de invoering van het verplicht digitaal procederen nog niet aan de orde. Belangrijk is dat particulieren die zelf procederen ervoor kunnen kiezen om zulks digitaal te doen of toch op papier stukken in te dienen.

Professionele rechtshulpverleners wordt die keuze niet gelaten. Echter ook voor hen geldt dat als zij toch op papier stukken indienen de gelegenheid moet worden geboden dit verzuim te herstellen.  Het digitaal procederen houdt in dat het beroep langs elektronische weg wordt ingesteld en dat ook verzoeken, verzetschriften en andere stukken langs elektronische weg moeten worden ingediend, zij het dat de rechter voor overige stukken een uitzondering kan maken. De rechter kan zelfs bepalen dat de hele procedure op papier wordt voortgezet. Dit valt te lezen in het nieuwe wetsartikel 8:36a van de Algemene Wet Bestuursrecht.


gepubliceerd: 31 oktober 2017

Nieuwe Business Partner | Kerckhoffs Advocaten


Wij heten Kerckhoffs Advocaten van harte welkom als nieuwe Business Partner van MKB-Limburg.

De advocaten van Kerckhoffs advocaten verdiepen zich in uw onderneming om altijd een oplossing te vinden voor uw juridische vraag. Persoonlijke aandacht op een moment dat u het beste schikt, is voor ons vanzelfsprekend. We doen er alles aan om lange en kostbare procedures te voorkomen, en in de rechtszaal behartigen we uw belangen op een zo vakkundige manier mogelijk.

Kerckhoffs Advocaten is met name actief in de Euregio met vestigingen in Maastricht en Heerlen. Onze kennis van het ondernemersklimaat in het zuiden van Nederland en daarbuiten zetten we in om onze klanten te adviseren. Naast juridische dienstverlening voor ondernemers zijn we er ook voor particulieren met juridische vraagstukken.

nieuwsbrief

Nieuwsbrief

Blijf op de hoogte door u hieronder
in te schrijven voor onze
nieuwsbrief.

JONG MKB

JONG MKB

Opstapje nodig? JONG MKB zet zaken in beweging! Speciaal voor starters met een onderneming jonger dan 5 jaar.

Lees meer
Word lid van MKB-Limburg!

Word lid van MKB-Limburg!

Profiteer van het provinciale netwerk van Business Club Limburg, belangenbehartiging, projecten en ledenvoordelen van MKB-Limburg. Lid worden?

Lees meer
Leden aan het woord

Leden aan het woord

Leden van MKB-Limburg aan het woord. Wie zijn ze en wat voor onderneming heeft men? Welke rol speelt MKB-Limburg voor hun onderneming? Lees de verhalen van onze leden en raak geïnspireerd.

Lees meer

Volg ons op

Twitter Linkedin Facebook
Design & development: Advance Communications BV