Geschiedenis LOZO

In maart 1913 wordt in Maastricht de vereniging “Roomsch Katholieke Limburgse Middenstand” opgericht. Een belangrijk accent ligt in die tijd op de bespreking van kerkelijke thema’s.

Tijdens de eerste wereldoorlog veroorzaken tal van regeringsmaatregelen moeilijkheden voor veel middenstanders. De Duitse inflatie laat Limburg niet onberoerd en de middenstand krijgt harde klappen.

In 1916 wordt het “Bureau van Advies voor Handeldrijvende en Industriële Middenstand in de Provincie Limburg” opgericht. Dit bureau heeft als doel adviezen verstrekken en het inrichten, bijhouden en controleren van boekhoudingen.

In de jaren 20 gaat het minder goed met de bond. Het ledenaantal loopt terug en de bond komt met schulden te zitten. In 1925 leidt dat tot aanvraag van een faillissement van de bond. Na het houden van een inzamelingsactie kunnen de schulden afbetaald worden. In 1928 treedt dhr. Koops aan als voorzitter. Onder zijn leiding ging de bond weer sterk vooruit.
In die tijd houdt de bond zich al bezig met de Winkelsluitingswet.

In 1933, midden in de economische crisis, begint de oprichting van plaatselijke commissies van bijstand. Zij helpen middenstanders die in nood zitten.

Dan breekt de tweede wereldoorlog aan. Aanvankelijk gaat de organisatie gewoon door. Op 7 oktober 1940 wordt de voorzitter gegijzeld door de Duitsers. Hij komt in 3 verschillende kampen te zitten.
Als hij op 12 december 1944 weer vrij komt bestaat de bond enkel nog op papier. Op last van de bezetter is de bond opgeheven. Op 10 juli 1942 wordt de laatste circulair verzonden waarin de opheffing wordt medegedeeld.
Het ideaal waar de bond voor staat leeft vuriger naarmate het onrecht ernstiger en duidelijker wordt. Daardoor blijft het contact bewaard.

Al vanaf de bevrijding van het zuiden van Limburg wordt opgeroepen om zich weer in katholiek verband te organiseren. Op 1 september 1945 wordt het kantoor van de bond in Venlo opengesteld. Eigen meubilair is er niet, dus worden tafels en stoelen geleend. Intensiever dan ooit worden de taken van voor de oorlog weer opgepakt. De materiële schade geeft veel zorgen en de bond stelt hiervoor een speciaal adviesbureau voor in.

De economie trekt aan en een enorme koopkracht ontwikkelt. Maar kleinere bedrijven hebben moeite met het aantrekken van arbeidskrachten. Dit speelt vooral in de bouw.
Veel kleine bedrijven hebben het moeilijk en veel ervan moeten verdwijnen. Veel andere bedrijven hebben groeiproblemen.

In het begin van de jaren 60 dienen fundamentele veranderingen aan. In 1961 wordt besloten om naast de naam Katholieke Limburgse Middenstandsbond de naam Limburgse Organisatie van Zelfstandige Ondernemers te gaan gebruiken.
De deconfessionalisering heeft zich ingezet en de bond moet zich hieraan aanpassen. Daardoor verzwakken de confessionele en culturele taken van de bonden.
De individuele voorlichting aan ondernemers komt sterk in de belangstelling te staan.

Op 7 november 1972 organiseert de LOZO een grote demonstratie op het Vrijthof in Maastricht voor een beleid dat gericht is op het tegengaan van detailhandel op industrieterreinen. Uiteindelijk komt dit beleid er ook.

De LOZO is ondertussen uitgegroeid tot een organisatie die binnen de Limburgse verhoudingen iets te betekenen heeft. Er werken in 1980 ongeveer 20 mensen, die samen op veel gebieden specialismen hebben. De LOZO beschikt over 85 plaatselijke verenigingen en heeft 4000 leden.

In 1982 wordt het nieuwe pand van de LOZO aan de Huiskensstraat te Venlo geopend. 
Door de moeilijke economische tijden kan de bond met moeite haar ledenbestand vasthouden. De ledenwerving wordt professioneel aangepakt. De organisatie heeft dan 2 full-time acquisiteurs in dienst.

In 1988 viert de LOZO haar 75-jarig bestaan. In 1997 verhuist de LOZO van de Huiskensstraat naar de Noorderpoort. In de tussentijd is het logo nog 2 keer gewijzigd.

Tijdens de Algemene Ledenvergadering op 8 november 2004 wordt gekozen voor een nieuwe naam; MKB-Limburg. Ook de afdelingen gaan voor en na hun naam wijzigen in MKB-Limburg afdeling. In 2010 zijn de afdelingen opgeschaald naar 8 sterke gemeentelijke/regionale afdelingen, waarbij er ook nog wat plaatselijke onderafdelingen zijn die vanwege hun extra activiteiten zelfstandig als onderafdeling blijven functioneren.